5){ ?>

De Vloerenmakers v.o.f.
Hoeksehei 10
5469 NJ Erp

T 0492-468919
E info@devloerenmakers.nl

  • Image description
  • Image description

    Een gratis offerte!

Aandachtspunten cementdekvloer:

Niet hechtende dekvloer: direct op draagvloer:

  1. I.v.m. spanningen, die als gevolg van temperatuurswisselingen in de draagvloer kunnen optreden en die bij vaste verbinding worden overgebracht op de dekvloer moet zoveel mogelijk bevorderd worden dat de dekvloer vrij kan bewegen ten opzichte van de draagvloer. Deze flexibiliteit kan o.a. verkregen worden door een tussenlaag van folie. De ondergrond moet voldoende vlak zijn en er mogen geen grote hoogteverschillen voorkomen.

Hechtende dekvloer: direct op draagvloer:

  1. De ondergrond moet geschikt zijn voor het kunnen afwerken met een dekvloer.
  2. De ondergrond en cementdekvloer moet vorstvrij zijn en blijven.
  3. Een kwalitatief goede cementdekvloer wordt (pas) bereikt bij minimaal 30mm vloerdikte.
  4. Om hechting te krijgen is het van belang dat de ondergrond voldoende ruw is dan wel open poriën bevat.
  5. Er mogen geen verontreinigingen voorkomen die nadelig zijn voor de hechting. Gedacht kan worden aan o.a. stof, vuil, vet en olie.
  6. Een sterke zuiging van de ondergrond dient te worden voorkomen. Dit kan middels bevochtigen van de ondergrond (let op: droogtijd zal hierbij toenemen) of door het aanbranden met hechtmiddel. Het aanbrengen van hechtmiddel kan enkel door De Vloerenmakers worden uitgevoerd.
  7. Om het contact tussen de ondergrond en de cementdekvloer te verbeteren, is het aanbrengen van een hechtlaag veelal aan te raden.

Zwevende dekvloer: los van draagvloer:

  1. Een kwalitatief goede cementdekvloer wordt (pas) bereikt bij minimaal 60mm vloerdikte.
  2. I.v.m. spanningen, die als gevolg van temperatuurswisselingen in de draagvloer kunnen optreden en die bij vaste verbinding worden overgebracht op de dekvloer moet zoveel mogelijk bevorderd worden dat de dekvloer vrij kan bewegen ten opzichte van de draagvloer.
  3. Dikteverschillen in de cementdekvloer moeten zoveel mogelijk worden voorkomen. Dit om een zo gelijkmatige droging te krijgen en scheuren zo veel mogelijk te beperken.
  4. Voorkomen contactbruggen: Voorkomen moet worden dat de aan te brengen dekvloerspecie contact kan maken met de ondergrond.Daarom moeten de isolatieplaten goed tegen elkaar zijn aangesloten of een evt. en lekkage van specie kan verder worden beperkt door het aanbrengen van een folie (niet opgenomen in offerte tenzij expliciet vermeld).
  5. Bij dekvloeren met vloerverwarming moet extra aandacht worden besteed aan het vrijhouden van de vloer in verband met lengteverandering van de dekvloer.

Overige informatie:

  1. In de norm voor zwevende dekvloeren (NEN 2742) is bepaald dat de dekvloerdikte verhoogd moet worden met de dikte van de leiding.
  2. Volgens NEN 2711 moet, indien in de dekvloer leidingen of buizen zijn aangebracht, de dikte van de dekvloer boven deze leidingen of buizen tenminste 20mm bedragen (bij cementdekvloeren met een toplaag, moet dit minimaal 28mm boven de leidingen zijn).

Nabehandeling van een cementdekvloer:

  1. De nabehandeling van een cementgebonden dekvloer moet een etmaal na het aanbrengen van de vloerspecie beginnen. Nabehandeling kan plaats vinden door middel van bevochtigen of afdekken met folie. Bij nabehandeling met een folie is een waarschuwing op zijn plaats. Folie kan bij het onjuist aanbrengen een omgekeerd effect hebben. Als de folie namelijk niet geheel aansluit op de vloer, kan condens ontstaan aan de onderzijde van de folie: water dat afkomstig is uit de dekvloer. Door luchtverplaatsing onder de folie wordt dit condensvocht vervolgens ‘weggeventileerd’. I.p.v. voorkomen van verdampen van vocht, wordt het juist versterkt. Een folie moet dan ook altijd aansluitend op de vloer worden aangebracht, zonder dat luchtverplaatsing kan optreden.
  2. Indien vloerverwarming toegepast wordt dient het opstook- en afkoelprotocol voor vloerverwarming in calciumsulfaat- of cementgebonden dekvloeren van het bedrijfschap Afbouw, bij voorkeur meermaals, te worden uitgevoerd voordat een vloerbedekking of –afwerking (kunststofvloer, tegels, plavuizen, parket, laminaat, marmoleum enz.) wordt aangebracht.
  3. De temperatuur van de ondergrond en de verhardende specie mag gedurende de eerste 3 dagen niet lager dan 0°C en niet hoger dan 30°C zijn.
  4. De luchtvochtigheid gedurende tenminste twee etmalen mag niet onder de 80% komen.
  5. Om nadelige effecten op de aangebrachte cementdekvloer te voorkomen, moet de ruimte waarin de dekvloer is aangebracht vrij zijn van grote luchtverplaatsingen.
  6. Om vergelijkbare redenen moet het gebruik van heaters bij lage omgevingstemperaturen, me de nodige voorzichtigheid plaats vinden. Heaters mogen nooit op de vloer worden gericht omdat anders plaatselijk een te sterke droging ontstaat.